Lange, luie zomer

De Scheijbeeck is, samen met het gelijknamige landgoed, in de Gouden Eeuw een ‘lustwarande’ voor Amsterdamse regentenfamilies. Zij trekken naar de oevers van het Wijkermeer voor de jacht en een lang, lui zomerverblijf.

Begin 17e eeuw is dat de welvarende familie Baeck, liefhebbers van literatuur en poëzie. Laurens Baeck nodigt Joost van den Vondel op zijn buiten uit om hier te logeren. Vondel gaat hier graag op in. Vanwege zijn geschrift ‘Palamedes Vermoorde Onnooselheyd’ (1625) moet hij onderduiken. Scheijbeeck is een veilig toevluchtsoord. Ook Hooft logeert regelmatig bij de familie Baeck.

In diezelfde tijd vormt de beek een muze voor Vondel en Gorter en aldus een bron voor poëzie. Vandaag vormt de beek met zijn heldere en stromende water een groen-blauwe oase in een sterk verstedelijkt industriegebied. Een van de weinige pareltjes nog in de IJmond.


Fragment uit het gedicht van Vondel

De klare Beeck, uit schorre duinen,
Gesproten, om uw ackerlant
Uw vijvers, bosch en groene tuinen,
Langs oevers, dicht met looft beplant,
Te laven met een lieflijck morren,
Tot dat ze valt in 't Wijcker meer,
Die magh verdroogen en verdorren
Door ongelegenheit van weer.


schorre = droge
morren = murmelen